Hotel Golgotha
De mensen hier zijn als vogels in de rui maar van
ver en met jong dons als wilgen in een rij op de einder,
ruisend en ze worden door gekromde ruggen gedragen.
Er zijn doeken die huilend om hun schouders hangen,
er is het kranig klakken van een tong in een mond
maar hier is geen liplezen, geen november dat belet
niet te oogsten, niet zonder sikkel het schrale gras
te maaien dat al eeuwenlang onder vreemde voeten
wordt platgewalst.
>Sirenen
Wij zien de zee schuimend
op hun lippen barsten,
hen stapvoets smedend
tot vrouwen van stenen.
Van hun lokken druipt
het brijnzoute gezang,
woorden waarmee zij
helden in slaap wiegen,
spel van de wind met
een schip in de wolken.
>Omfloerst
Zo wroetten ze hun levens als
apostelen van de pen, doch
vastgeroest aan wat ze lazen.
Het was in het slijk dat zij hun
eigen leemte gedolven hebben,
grafdiep, stotend op geraamtes.
De jongen begroeven zich als
in woorden, alleen onleesbaar,
gras dat vroeger groener was.
Historie van een sterven
( bij het lezen van ‘Het Leven is Elders’ door Kundera )
Toen ze nog gedwee was dong de poëzie
de revolutie naar de hand en draaiden ze
dansen van jeugdigheid in het aanschijn
van geschiedenis maar toen strijdgewoel.
Nu, jaren later, rest van de revolutie niets
meer dan het portret dat zijn weduwe op
zondag ( met opgeheven hand ) aan haar
nageslacht laat zien. “Papa”, en ze ijlt.
Van haar blijft enkel de bejaarde vrouw
die vergat waarom en vooral voor wie
haar man het leven gelaten heeft, zich
bij schemer in zijn graf ten grave legt.
>Stad
Vogels zwerven onbevangen door het wijde hemelhuis,
hakken stappen en bezingen tijd die langzaam verderschrijdt.
Een muur scandeert fuck you gay, getatoeëerd en zonder spijt.
Auto’s weer van werk naar huis; gefluit maakt plaats voor dof geruis.
Zie daar de mensen met hun botten losliggend in het vel,
gehuld in veel te verre lorren en met kubisme in de gezichten;
genoten van hetzelfde lot, voor hen zal ’t leven moeten zwichten.
(enkel kinderen zien in de wolken nog het spel)
Aan de toog daar gaan ze drinken, de geleerden met de pet,
hoor het klotsen van de nacht, zo komt de kater; late bode:
ze slaan er nog één achterover, doen hun vrouw en dan naar bed.
Mijn stad, mijn thuis; aan u dit lied als voor de goden,
stad met al haar dichters-filosofen, mijn stad met
grijze huizen als graven voor haar levende doden.
>Eenzaam gereis, een glimlach op mijn dunne lippen. Zonnestralen hinkelen over onbetreden voetpaden, negen, tien, je toekomst is gezien. Zie daar het eind, asgrauw dansend in het maanlicht. Kijk me in de ogen want mijn laatste tranen rollen de Rijn in, geen mens duikt ze achterna.
Hallo, hallo, vreemde wezens met andere tongen. Hier steelt men je geld maar laat men je hart. Waar ik geboren ben was het net andersom. Herinner jij je de eerste dag nog, lieve?
Eenzaam gereis, grijnzende gezichten die je nooit meer zien zal. Hallo, hallo, u gaat morgen sterven mevrouw. Stervende mevrouwen laten enkel wat pels na.
Dag Rijn, vang nu mijn tranen maar. Drink mijn tranen en voer ze mee zodat zij erin baden kan, zij; mijn zeegodin.
In mijn ogen wandelen geesten. Het spookt in mijn hoofd, ook bij u, meneer. Zonen van meneren krijgen morgen fatale ongevallen maar nu eten ze lekkere braadworst, mmm zie het vet van hun lippen lopen terwijl het varken over het leven filosofeert.
Eenzaamheid, mij eeuwig trouw, alleen zijn wordt mijn vrouw. Ze regent op me, water druppelt uit de sterrengaten van haar hemelgewelf. Zij dwaalt door de graven van mijn vroeger, leest het opschrift:
(huilend) “Alleen de Rijn kon de tranen uit zijn ogen wassen”
>Kronkels en andere gesprekken ( II )
Commit it then to the flames: for it can contain nothing but sophistry and illusion.
“Het gaat erom”, poneerde Hume met somnambulistische trefzekerheid, “dat je geschriften vol gespin en gespetter van geen waarde zijn. Nog beter voeren we je verzameling aan de uitgestoken tongen van een hongerig haardvuur.” Pierloot prevelde enkele woorden en keek de Schotse wijsgeer met pientere ogen aan. Hij had het antwoord op zijn lippen liggen, al lang voor Hume het stof van zijn bedompte ideeën had geblazen. “Herinnert ge uw kindertijd, David?” Hume zuchtte. Voor het eerst wendde hij zijn blik af van het majestueuze raam dat vanuit de bibliotheek uitkeek op de mistige slierten die Idrigill Point onafgebroken omsluierden.
“Amper”. Zijn stem kraakte als een eenzaam huis in de storm. “Ik was tien toen mijn vader me in Edinburgh naar de universiteit stuurde. Nooit heb ik zoals Drummond of Ogilvie in de straten van mijn Auld Rookie kattekwaad kunnen uithalen.” Hier had Pierloot op gewacht. Hij merkte de desolate ondertoon in het relaas van de filosoof en greep zijn kans. “Dus je herinnert je niet hoe heerlijk het was te verdwalen in verzinsels?”
“Over welk soort verzinsels heb je het, Pierloot?” Hume had zich weer naar het venster gekeerd en probeerde zich te concentreren op de jan-van-genten die hoog boven de mist cirkelden. “Ik heb het over sagen, sprookjes, mythen en legendes. Verhalen die de mens doen verdwalen en hem daarin een intens geluk doen vinden.” Hume krulde de mondhoeken. “Is geluk dan je hoogste goed? Is het geen illusie net zoals de verhalen in die boeken van jou?”
Pierloot liet zijn blik over de rekken met geelgekleurde boeken glijden. Met zijn hand wreef hij over het muisgrijze sikje dat zijn kin sierde terwijl hij de erudiete man bij het raamkozijn van een repliek diende. “Eens op een dag droomde ik, Chuang Tzu, dat ik een vlinder was, een vlinder die fladderend rondvloog, tevreden met zichzelf, zich niet bewust dat hij mij was. Plotseling werd ik wakker en begon ik me er rekenschap van te geven dat ik nog altijd Chuang Tzu was. Nu is het de vraag of ik Chuang Tzu ben die droomde dat hij een vlinder was, ofwel een vlinder die droomt dat hij mij is.”, citeerde hij zonder moeite. “Wat is het verschil, David? Wat is het verschil tussen denken dat je gelukkig bent en denken dat je denkt dat je gelukkig bent?”
De mist in de verte danste met de rollende golven. Hume volgde het spel der natuur nauwkeurig. “Ik wil de waarheid vinden, en enkel door de empirische wetenschap en de wiskunde kunnen wij tot inzicht komen.” Pierloot knikte. “Droom je wel eens, David?”.
>*
Als men ’s avonds thuiskomt van werk is het lijf van de moderne mens reeds lang leeggezogen. Gelukkig staat daar dan de zetel met de wederhelft die manhaftig de afstandsbediening hanteert, overvloed met een kordate zwiep pareert. Ah, met een plof verschijnt het leven op nog geen twee meter voor de neus. Bijna echt, zegt de vrouw, waarop de man knort dat ze haar klep mag houden. Erik van Looy presenteert en in de schimmige woonkamers van Vlaanderen lacht men zich groot.
>*
O Lokroep der zoete natuur, denkt toch niet dat ik u weersta!
Morgen bij dageraad ziet ge mij met een plunjezak langs landwegen trekken en fluiten gelijk de vogels, breed lachend omdat uw kinderen mij ook vandaag weer met glinsterende dauwparels begroeten. Bedankt voor uw bossen en wouden, O wijze moeder, bedankt om mij in mijn verdwalen te leiden tot bij uw helderste bronnen. Wat een dagen beleef ik; onvatbaar voor woorden der menselijke taal. En dan sprak ik nog niet over uw avonden bij wakend kampvuur; hebt ge de pracht reeds aanschouwd van knisperende takken die minzaam buigen voor uw warmte? En hebt ge het huilende hout gehoord tot welks ik mijn verdriet bekende toen ik in de vlammen de ogen van mijn verloren geliefde meende te herkennen?
>Kleine vertes
Het raam staart door me heen en
ontwaart in mij een kleine verte,
een onzekere romanticus
die van voor het raam de
ondergaande zon zal gadeslaan.
Maar het raam staart door me heen
want achter me ligt nog zoveel verder.
>